Deel twee van de fotoreportage vind je hier:

Dag 9: Westport
Vandaag stonden de Kylemore Abbey en het Connemara National Park op het programma. De mevrouw van ons B&B raadde ons aan om vroeg te gaan, omdat de Abbey ’s middags erg druk is in het hoogseizoen. Dus gingen we daar eerst heen. Het landschap er omheen was weer ontzettend mooi: hoge bergen, veel groen, veel bloemen en hier en daar wat schaapjes op de weg.
De Abbey zelf was prachtig om te zien. Je kon het vanaf de parkeerplaats al goed zien liggen aan de overkant van een groot meer. We bezochten eerst de ommuurde Victoriaanse tuinen, die ergens in de jaren 90 helemaal gerestaureerd waren, omdat ze jarenlang niet onderhouden waren, en dus volledig overgroeid waren geweest. Van de mooie kassen was niks meer over, maar er was er één gerestaureerd. De anderen worden ook nog opnieuw gebouwd.
Daarna gingen we de Abbey binnen, die beheerd wordt door nonnen. Het meeste was ook niet toegankelijk voor bezoekers, maar de zalen waar we in mochten waren mooi om te zien.
Wat verderop op het landgoed lag een Gothisch kerkje, dat fraai bewerkt was met marmer in vele kleuren en mooi beeldhouwwerk en glas-in-lood. Nog een eindje verder stond het mausoleum van de eigenaresse van de abdij voordat die in verval raakte en door de nonnen werd beheerd.

Na het bezoek aan de Kylemore Abbey gingen we naar het nabijgelegen Connemara National Park, een mooi natuurgebied aan de Diamond Hill, een hoge berg die via een goed onderhouden wandelpad te beklimmen was. We liepen een route die tot onderaan de berg kwam, en besloten daar om de stoute schoenen aan te trekken en ons aan de beklimming te wagen. Het uitzicht was al mooi waar we stonden, dus bovenop de berg moest dat wat beloven. En dat bleek ook zo te zijn. De klim was vermoeiend en lang, maar het pad was heel goed aangelegd, en het uitzicht zeer de moeite waard. We konden vanaf de top de Kylemore Abbey zelfs zien liggen. Onderweg praatten we even met een vriendelijk Iers koppeltje, die ons vertelden dat dit een best gemakkelijke klim was. Terwijl wij verder omhoog sjokten, haalden zij ons in, en we hebben ze ook niet meer teruggezien. Ze zijn daar wat meer gewend dan wij.


Toen we eenmaal weer beneden waren met pijn in onze voeten, was het ergens tussen 16.00 en 17.00u, dus reden we door naar het volgende B&B, Adare House in Westport. Daar werden we vriendelijk ontvangen door de eigenaar, die zelfs hielp de koffers omhoog te dragen naar onze kamer. Ook hier was weer alles netjes verzorgd. We fristen ons wat op, en liepen het stadscentrum in op zoek naar een restaurantje. Onze gastheer had ons een goed hotel met een pub en restaurant aangeraden, en daar zijn we uiteindelijk ook beland. We aten een dikke zelfgemaakte hamburger met frites en salade. Die wist onze honger wel te stillen.
In het centrum was een klein muziekfestival gaande, dus besloten we dat even te gaan bezoeken. We hebben er twee leuke lokale bandjes zien spelen, maar het begon te regenen, dus gingen we maar door naar de bekendste pub van Westport, de Matt Molloy’s, een oud fluitist van de Ierse groep the Chieftains. Die bestond uit 3 kleine ruimtes achter elkaar. De eerste twee met bar, en de achterste met bankjes en tafeltjes, waar de muzikanten live muziek konden spelen.
We zochten ons een plekje achterin zodat we de muziek goed konden horen en zien. We waren rond 20.00u daar, en om 22.00u zou de muziek beginnen, dus konden we even relaxen en onze vermoeide benen laten rusten.
Intussen kwam er een oude man bij ons zitten op een krukje, en vroeg waar we vandaan kwamen. Hij vertelde ons dat hij al 64 jaar entertainer was, en Ierse liedjes zong, en moppen- en verhalenverteller was. Hij toonde ons terloops even zijn cd, Mike Lavalle heette hij, en vroeg of wij ook Ierse liedjes kenden. Ik zei dat ik wel enkele klassiekers kende zoals Whiskey in the Jar, en prompt begon hij dat voor ons en de rest van de ruimte te zingen. Enkele mensen zongen mee, en naderhand kreeg hij een applaus van een ander tafeltje, waar hij zich direct bij voegde. Daar zong hij nog wat andere liedjes, erg leuk allemaal. Toen de muzikanten eindelijk arriveerden, was het al half 11, en was de kamer stampvol, dus konden we vanuit ons knusse hoekje al bijna niks meer zien. We luisterden naar een paar nummers, en besloten toen maar weer te gaan, want het was toch te druk om het goed mee te krijgen. Morgen zouden we richting Sligo rijden, en dan konden we kalm aan doen.

Dag 10: Sligo en Croag Patrick
Zoals inmiddels al gewoonte was, begon de dag met een lekker Iers ontbijtje. De vrouw des huizes vertelde ons wat er nog allemaal te zien viel op onze route, en zei dat we vooral de Croag Patrick moesten bezoeken, de heilige berg waar St. Patrick ooit 40 dagen op heeft geleefd. Dapper vertelden we dat we gisteren al de Diamond Hill hadden beklommen, maar volgens haar was dat ook maar “easy”. De Croag Patrick was andere koek, maar jonge mensen als wij moesten dat toch wel halen in een uurtje of twee.
Dus gingen we maar eens kijken naar die berg, en wijzer van de dag ervoor liet ik de rugzak in de auto, nam de paraplu weer mee, en deed een paar dikke sokken aan. We zouden wel kijken hoever we kwamen, en als we moe werden, konden we altijd gewoon omdraaien.
We begonnen moedig onderaan de berg, en kwamen bij het beeld van St. Patrick, onderaan de voet van de berg, al meer mensen tegen die de klim gingen wagen. De top was nog in mist gehuld, dus zagen we niet hoe hoog we eigenlijk moesten klimmen. Het pad begon rotsachtig, met een klein stroompje over de stenen, en links en rechts van het brede rotspad mooie groene hellingen met vele mooie bloemen. Het was wel stevig stappen en opletten waar je je voeten neerzette, maar met regelmatige pauzes om op adem te komen ging het best. Vaak passeerden we dezelfde groepjes mensen, die ons daarna weer passeerden.


Na ongeveer een uur klimmen zaten we net onderaan de wolken die de rest van de berg verborgen. Het terrein werd rotsachtiger, met veel losse stenen, en we vroegen ons af of we wel door moesten gaan. Toen passeerden ons twee koppels, die ons beleefd groetten (net als iedereen). De laatste man van de groep was een vrij flinke Amerikaan, die hevig zwetend vroeg hoe het ging. Ik zei dat we twijfelden, maar een van de dames zei dat we hier echt niet moesten stoppen, want we waren al zo ver. De flinke man zei dat hij ook zou doorzetten, en hij was al aan het afzien, dus dan moesten wij dat toch ook wel kunnen. Aangemoedigd klommen we dus maar door, en bereikten een vlakker stuk weg gehuld in de mist. Het moeilijkste hadden we volgens de anderen nu gehad. Er stonden hier veel mensen te rusten. Op het eind van dit vlakkere stuk stond een hoop stenen, die het eerste punt van de bedevaart aangaf. Hier moesten de bedevaarders op blote voeten 7x omheen lopen, en 7x een wees gegroetje en een onze vader opzeggen, en dan konden ze verder.
Nu begon het pittigste stuk, een vrij steile beklimming over losse stenen, met hier en daar een smal paadje. Een stuk moeilijker dus dan het eerste deel… De klimmende mensen namen het paadje, en de afdalende mensen schuivelden en gleden over de stenen omlaag. We vroegen ons af hoe we ooit weer beneden moesten komen. Maar de 4 mensen die we eerder tegenkwamen zaten nu vlak achter ons, en gaven aan dat het nu niet ver meer was. Mensen die omlaag gingen moedigden ons aan, het was nog maar 10 minuutjes. De volgende 30 minuten kwamen we nog meer afdalers tegen met hetzelfde optimisme, maar uiteindelijk zagen we dan toch wat houten bouwsels en het dak van een kerkje opdoemen aan de top. We zaten nu echt middenin de wolken, en iedereen zag er doorweekt uit. Natte haren, beslagen brillen, regenjassen en erg beperkt zicht overal om ons heen.
Na een paar snelle foto’s en wat rust, gingen we weer naar beneden, want zoals de dames van de 4 mensen die bij ons liepen al zeiden: “You don’t have to go up, but you have to go down”. Denise zag het somber in, maar hand in hand gingen we stap voor stap, met de paraplu als stok, half glijdend over de losse stenen omlaag. Ook wij moedigden nu de omhoog ploeterende mensen aan, hetzij met wat eerlijker berichtgeving.
Tegen de tijd dat we het vlakke stuk weer hadden bereikt, waren we al behoorlijk moe, en hadden we pijn in onze benen. Maar na al dat langzame geschuifel was een stuk “gewoon” lopen wel lekker, en al snel kwamen we weer op het eerste lange stuk terecht, dat net onder de wolken uitkwam. Hier lagen de stenen minder los, maar het was nog steeds erg vermoeiend. Plotseling zagen we recht voor ons een prachtige regenboog verschijnen, die we natuurlijk even hebben gefotografeerd. Halverwege de afdaling van het laatste deel kwamen we een oudere man tegen, die omhoog klom, waarvan we ons even afvroegen of dat wel verstandig was op die leeftijd en helemaal alleen. Hij groette ons vriendelijk en vroeg of we al boven waren geweest. Daarna wilde hij weten waar we vandaan kwamen. Ik zei The Netherlands, en toen dacht hij even na en zei “hoe gaat het?”. Zijn dochter bleek in Leiden gestudeerd te hebben en daar had hij wat Nederlands van geleerd. Na een kort gesprekje zei hij “tot ziens”, en vervolgde zijn klim.
Toen wij eenmaal weer beneden waren, liepen we op onze laatste benen naar het ontvangstwinkeltje/bistrootje bij de parkeerplaats om daar even te rusten en iets te eten. We deelden een gebakje en namen de auto naar ons volgende B&B in Sligo, Pearse Lodge.

We werden weer hartelijk ontvangen door de eigenares Mary, die ons onze kamer toonde en gelijk een heel verhaal afstak over de leukste restaurants en winkeltjes in het centrum. Natuurlijk wilde ze ook weten waar we vandaan kwamen, waar we geweest waren en wat we nog van plan waren. Ik kreeg het intussen steeds warmer, want kennelijk had ik mijn hoofd verbrand. Blijkbaar kun je op een nevelige, natte Ierse berg flink verbranden… Mary had op een stadsplattegrondje aangetekend waar alles zich bevond, dus gingen we eens kijken waar het gezellig was. Op veel plekken hadden ze pubs/restaurants die bar food op het menu hadden. Dat houdt in dat je precies dat krijgt wat op de kaart staat, dus geen extra’s zoals salade of frieten, tenzij dat staat vermeld. De prijzen van bar food zijn ook wat lager dan in restaurants.
We kwamen terecht in de Fiddler’s Creek Bar, een grote en mooie pub, met veel in natuursteen gemetselde wanden en bogen, houten tussenwandjes, tafels, bankjes, en met figuren bewerkte plafonds. In het midden bevond zich de grote ovale bar, die de zaak in tweëen deelde. Aan de linkerzijde was het restaurant-deel, en rechts de pub, maar overal zaten mensen te eten, zo vol was het.
We bestelden er een tagliatella salade en gepaneerde kip met frieten en saus. Beide gerechten waren overheerlijk, echt heel lekker. We genoten van het eten, en nadien konden we geen pap meer zeggen. We zaten nog even bij de bar aan een hoge tafel op een bank langs de muur, nagenietend mat een pint Smithwicks. Denise las wat in haar boek, en ik schreef nog wat aan mijn reisverslag. We waren deze keer nog sneller moe dan gisteren door de tweede, nog zwaardere bekliimmming, dus gingen we al vroeg terug naar ons B&B, waar we vrij snel in slaap vielen.

Dag 11: Donegal
Hmmmmm! Spek met ei! Langzamerhand begonnen we ons toch wat zorgen te maken over die weegschaal die thuis op ons wachtte…
Met spierpijn in de benen kreunden we de trap op en af in het B&B. Vandaag hadden we een rustige dag op het programma. We wilden naar Donegal rijden, en onderweg kijken wat er allemaal interessant genoeg was om te gaan bezichtigen.
Mary raadde ons deze keer enkele winkeltjes aan in een zg. Crafts Village in Donegal, en een mooi landhuis vlakbij sligo genaamd Lissadell House. In Donegal zelf stond ook een oud kasteel dat de moeite waard was om te gaan bekijken. Het regende wel wat, maar aangezien al deze plekken binnen te bekijken waren, was dat geen ramp.
We kwamen iets voor 10.30u aan bij het Lissadell House, juist voordat ze open gingen voor het publiek. We liepen de winkel binnen in het koetshuis, vlakbij het huis zelf, om de entree te betalen. Daar was nog niemand te zien, dus wachtten we even. Toen er eindelijk iemand binnenliep, konden we de kaartjes betalen (tweemaal student), en belde het meisje alvast naar de gids in het huis om te zeggen dat we onderweg waren. We waren de enigen op dit vroege uur, dus kregen we een leuke privé rondleiding. De jongeman die onze gids was, praatte wel heel erg snel, zo snel zelfs dat hij herhaaldelijk over zijn eigen tong struikelde en dingen twee keer moest zeggen. Ik vroeg hem wat langzamer te praten, aangezien wij geen Ieren waren, en dat hielp al iets.
Het huis was erg mooi en groot, met hoge plafonds en vele gedecoreerde vertrekken. Het hing er vol met oude foto’s en schilderijen van de families die er gewoond hadden. Ook de dichter Yeats, die uit Sligo kwam, zou hier vaker overnacht hebben. Er waren bediendenvertrekken en keukens in de kelder, met trapjes en gangen die naar elke hoek van het huis leidden, en een belsysteem waarmee de eigenaars in elk vertrek een bediende konden oproepen. Die zagen dan beneden op een paneel een lampje branden bij de betreffende kamer, en konden dan snel ter plekke zijn.
Er waren kamers vol modelboten, opgezette dieren (o.a. vogels, een beer en twee vossen), tekeningen en boekenkasten. Heel sjiek allemaal.
Helaas was onze toet na 45 minuten alweer voorbij, en moesten we via de bediendeningang het huis weer verlaten. We hadden er best nog wel een uurtje willen rondlopen, maar helaas kon dat niet zonder gids. We bedankten de gids en schudden hem de hand, wat hij duidelijk niet gewend was, en gingen weer verder.
Onderweg naar Donegal passeerden we Bundoran, wat een mooi strand zou hebben, maar wegens het druilerige weer lieten we dat voor gezien en reden we door naar Ballyshannon, het oudste dorp van Ierland. We kwamen ten slotte aan bij de Crafts Village voor Donegal, wat een gebouwenblokje was met leuke winkeltjes en een bistrootje. Elk winkeltje had andere handgemaakte zaken, zoals houtsnijwerk, sieraden van glas en zilver, breiwerk en twead, schilderijen etc. We kochten bij McGonigle’s een leuk glazen hartje aan een zilveren ketting voor de moeder van Denise, als bedankje voor het babysitten op onze Obi.
Het eettentje was vol, dus zochten we in het centrum van Donegal (wat vrij klein bleek te zijn) een plek om te lunchen. We aten in een lunchroom een BLT met een luxueuze warme chocomel voor Denise, die daar glunderend van genoot. We bezochten daarna het kasteel, dat inderdaad best mooi was. Aan de behoefte om oude kastelen te zien was hier in Ierland behoorlijk voldaan.
We liepen naderhand nog even langs wat winkeltjes richting onze auto, en reden door de regen weer terug naar Sligo. Daar kletsten we weer wat met Mary en haar man, en gaven haar wat folders van de plekken waar we waren geweest (daar had ze om gevraagd).
Om 5 uur liepen we Sligo weer in, en kochten we bij een sieradenwinkeltje in het centrum, genaamd The Cat and the Moon (naar een gedicht van de lokaal zo geliefde Yeats), een leuk zilveren kettinkje voor mijn moeder (ook voor het oppassen op de poes). Deze had een zilveren hangertje met een woord in het Ogham geschreven, een oude Ierse schrijfwijze met streepjes over een verticale lijn.
Toen de winkels om 6 uur sloten, zochten we weer een leuk restaurant om wat te eten. Hargadon’s Pub lag in de buurt, en was ook een typische Ierse pub met vele kamers en eethokjes (booths). Niet zo groot als de Fiddler’s Creek, maar wel erg leuk ingericht en gezellig druk. We bestelden het typisch Ierse gerecht Bangers on Mash with gravy, ofwel twee worsten op aardappelpuree met dikke saus. Prima keuze bij dit regenachtige weer volgens de serveerster, en het was ook erg lekker. Als toetje namen we een chocolate brownie met wat slagroom. We kletsten wat met de mensen naast ons, en na het eten liepen we weer naar de Fiddler’s Creek, om daar nog wat te lezen en te schrijven onder het genot van wederom een lekkere pint Smithwicks. Dat ga ik missen in Maastricht!
Morgen moesten we vroeg op om de auto terug te brengen naar Dublin Airport, dus gingen we rond half 10 weer naar het B&B.

Dag 12: Dublin
’s Ochtends ontbeten we al om 7 uur, want om 8 uur wilden we uiterlijk vertrekken naar Dublin, want de huurauto moest om 14.00u weer ingeleverd zijn. We vroegen of er onderweg nog bezienswaardigheden waren die de moeite waard waren, want we konden een uurtje stoppen onderweg. In Boyle zou een mooi natuurpark zijn waar je wel goed kon wandelen en fotograferen. Dus ik stelde de TomTom in op Boyle, en we gingen op weg.
Een half uurtje later vonden we het park al, en we parkeerden de auto. Het bezoekerscentrum was nog gesloten, dus hadden we geen wandelroutes. Dan maar op goed geluk wat lopen. Het pad leidde ons rond een groot meer. Daarin lag een eilandje met een vervallen kasteeltje, en er lagen wat bootjes aan de kade. Er kon hier worden gekampeerd en er lag een grote speeltuin bij het bezoekerscentrum.
We liepen een bos in, maar moesten op de tijd letten, dus keerden we na een half uur om, en kozen we een ander pad door het bos terug. Dat was nogal modderig, dus we moesten opletten waar we liepen. We staken wat leuke bruggetjes over, die over enkele kleine stroompjes lagen. Een boel foto’s en een half uur later dan gepland waren we weer bij onze auto, dus werd het doorrijden.


Gelukkig was het allemaal snelweg tot Dublin, en het was niet heel druk, dus het schoot wel op. Vervelend is wel dat in Ierland de snelweg van stadje naar stadje loopt, en je dus vaak stukken maximaal 50 km/u mag, en veel rotondes over moet. Maar om 13.00u waren we bij ons laatste B&B in Dublin. Helaas was er nog niemand thuis, dus was het even spannnend. Moesten we wachten, of naar het vliegveld om de auto terug te brengen en met koffers en al met de bus terug komen?
Uiteindelijk kozen we ervoor dat Denise met alle baggage bij het B&B zou wachten, terwijl ik de auto terugbracht. Dat verliep gelukkig heel goed, en Denise hoefde maar 5 minuten te wachten tot de eigenaresse arriveerde. Toen ik met de bus terug kwam, en we ons even hadden opgefrist, namen we gelijk de bus naar het centrum van Dublin.
We stapten uit op O’Connell street, een grote tweelaans straat, waar alle bussen passeerden en de taxi’s hun standplaats hadden. In het midden stond een gigantisch grote naald, de Millennium Spire, die je vanuit heel Dublin kon zien. Boven de rivier de Liffey, die de stad in noord en zuid deelt, is alles wat nieuwer en moderner, met hoogbouw en veel nieuwe winkels en fastfoodketens. We haalden een stadsplattegrond bij een stadsbuskantoor, en zagen ten zuiden van de Liffey de oudere stadsdelen liggen: de Temple Bar area, de Trinity College en de Medieval Area.
We wandelden een van de bruggen over, en zochten in de Temple Bar area een leuke pub om te gaan eten. Aangezien het nog wat vroeg was, liepen we via het Medieval gebied. We maakten wat foto’s, en toen we honger kregen liepen we terug naar Temple Bar, waar we aten in de St. John Gogarty’s Pub, een gezellige pub met live muziek en een goeie menukaart. Ik at er een bizar grote chickenburger met gegratineerde kaas erop (een broodje was overbodig) en frieten, en Denise had spareribs, uiteraard met een pintje Ale en Cider erbij. De sfeer was gezellig, en op de TV speelde de wedstrijd Nederland Engeland, die Nederland na een 2-0 voorsprong op een gelijkspel liet eindigen… Na het eten bleven we nog even hangen tot we moe waren, en pakten de bus terug. Denise had voor we gingen eten voor haar vader een Guinness sjaal met muts gekocht als kadootje in een van de vele Guinness giftshops die Dublin rijk is. Hopelijk werden onze koffers niet te zwaar!

Dag 13: laatste dag, Guinness storehouse
Vandaag was onze laatste dag voordat we weer terug moesten vliegen. Tijd om Dublin eens goed te verkennen. Beginnend bij de O’Connell street liepen we naar de Trinity College, om daar het befaamde Book of Kells te gaan bekijken. Dat kostte echter 10 euro per persoon, en dat vonden we toch wel wat duur om een bibliotheek in te mogen, die waarschijnlijk te druk was om het boek goed te kunnen bekijken. Bovendien is er wikipedia, en hadden we ook nog een replica gezien in het Lissadell House. Dus liepen we gewoon wat rond over het terrein, en daarna door naar het standbeeld van Molly Mallone, uit een bekend Iers volksliedje.
Daarna liepen we via Temple Bar naar het Medieval Area, en vonden vlakbij het Dublin Castle een aantal zandsculpturen tentoon gesteld. We bezochten de St. Patricks Cathedral, die van buiten best mooi was, maar binnen één grote touristenwinkel bleek te zijn, en ook nog eens 5,50 entree kostte, dus dat hielden we verder maar voor gezien.


We liepen langs de Brazen Head, de oudste pub van Ierland (hoewel mij lijkt dat die in Ballyshannon zou moeten liggen), en aten bij een Subway een lekker broodje. Daar vlakbij lag de Guinness brouwerij, waar we ter plekke besloten om het Guinness Storehouse te bezoeken, een speciaal voor bezoekers ingericht oud pakhuis van 7 verdiepingen staal en baksteen, waarin vanalles over Guinness stond uitgelegd en tentoongesteld. De grote vide midden in het gebouw heeft de vorm van een Pint glas, en wordt doorkruisd met roltrappen. Je gaat er van beneden naar boven over alle verdiepingen, en komt bovenin uit bij de Gravity Bar, die rondom door grote glazen wanden een bijna 360 graden uitzicht biedt op heel Dublin. Daar kregen we een gratis pint, dus nam ik een Guinness en Denise een cola (helaas hadden ze hier geen cider).
We bezochten op het laatst nog even de Guinness winkel, en ik kocht er een zwart Guinness poloshirt. Het was inmiddels al bijna 6 uur, dus liepen we weer naar Temple Bar, en aten wat in de … bar. Ik nam een chicken wrap met frieten, en Denise een tagliatella salade met roomsaus. Er speelde een zanger/gitarist Ierse traditionele liedjes en bekende pop-covers, dus de sfeer was er goed. Om 8 uur namen we de bus al terug, want we moesten vrijdag al om 6 uur opstaan om het vliegtuig naar huis te halen, dat om 9.30u zou vertrekken. We pakten onze koffers in, en weegden ze om ervoor te zorgen dat we de limiet van 15kg niet overschreden, en gingen slapen.

Dag 14: weer thuis!
De vlucht verliep soepel, en eenmaal thuis groetten we Obi en kon het uitpakken beginnen. Ierland was prachtig! Een geweldige vakantie!
(Deel 1 van de reportage staat hier)

Deel dit met je vrienden:
  • Print
  • Hyves
  • LinkedIn
  • StumbleUpon
  • Google Bookmarks
  • del.icio.us
  • Twitter
  • Facebook
  • email
  • Add to favorites