Bezoek hier deel 1 van de fotoreportage van onze vakantie naar Ierland (1 t/m 14 augustus 2009).
Het bijbehorende verslag volgt komende week! (Deel twee staat hier.)

Dag 1:
Zaterdag 1 augustus vertrokken we om 10.30u naar Eindhoven Airport, waar we met het vliegtuig, een Boeing 737, naar Dublin vertrokken om 13.35u. We hadden bij vertrek 10 min vertraging, maar die werden onderweg ingehaald, dus landden we om 14.00u Ierse tijd (daar is het een uur vroeger). Onderweg hadden we wat turbulentie, maar voor de rest was het een prima vlucht, al waren de zitplaatsen erg krap.
Op het vliegveld konden we snel onze koffers oppikken, en gingen we onze huurauto ophalen. We moesten even wachten op een busje dat ons naar de auto’s bracht, en de man aldaar was wat kortaf. Hij duwde me wat formuliertjes en de sleutel in mijn hand, en ik moest zelf maar even checken of de schade op het formulier klopte met de werkelijke schade aan de auto. Voor de zekerheid nam ik enkele foto’s van de auto, een kleine Opel Corsa, want die zag er nogal gehavend uit (veel krassen in de lak en schade aan de spiegels). Maar dat bleek wel te kloppen met het papiertje, dus stapten we in, ik rechts uiteraard en Denise links (ze zat al bijna rechts). Na het eerste misgrijpen naar de gordel aan de verkeerde kant, en de schakelpook idem dito, en het instellen van de TomTom op Waterford (onze eerste overnachting), konden we vertrekken.
Het eerste deel was een stuk door Dublin, wat nogal wennen was. Niet alleen het aan de andere kant rijden was wennen, maar ook het nemen van bochten en de drukte in de stad was even vreemd. Maar gelukkig leidde onze TomTom ons prima de stad uit, en eenmaal op de snelweg verliep het rijden heel soepel.
We wilden eigenlijk de Wicklow Mountains doorkruisen, maar het was al 16.00u geweest, en het was nog zo’n 2.5 uur rijden naar Waterford, dus besloten we dat maar over te slaan en door te rijden. Na een hele rit arriveerden we uiteindelijk om 18.30 bij het Portree Guesthouse in Waterford, vlak naast een Guinness brouwerij. Aanvankelijk dacht ik dat het al 19.30 was, maar ik was vergeten de tijd op de TomTom aan te passen, dus viel het nog wel mee. Vermoeid en blij dat we er waren na de lange reis, sleepten we onze bagage de trapjes op naar binnen. Daar meldden we ons bij ene Darius, de host. Deze zocht onze namen op, maar had blijkbaar vergeten onze reservering te noteren, hoewel we wel een bevestigingsmail van hem hadden gekregen thuis.
Darius begon zich nogal beschaamd te verontschuldigen, en zou een oplossing voor ons zoeken, want zijn B&B zat verder helemaal vol. Afwachtend bleven we zitten tot hij terug kwam. Na een tijdje vertelde hij ons dat er in een hotel iets verderop nog plek was, en dat hij het verschil in prijs voor de kamer zou compenseren. Hij gaf ons €25,- mee, en ik vroeg nog even of hij onze namen had doorgegeven aan het hotel, zodat ze daar wisten wie we waren en de kamer nog vrij was. Dat had hij niet, maar hij zou snel even bellen om dat door te geven en de kamer voor ons te reserveren. Weer vloog hij de trap op.
Intussen kwam er een jonge Amerikaan binnen met rugzak, die vertelde dat hij solo aan het backpacken was door Europa voor een maand. We raakten in gesprek, en wij vertelden ons verhaal en hij vertelde ons dat hij uit California kwam, en al in Pamplona was geweest voor het stierenrennen, Frankrijk en Schotland had bezocht, en via Belfast vaan hier was gereisd. Darius kwam een kwartiertje later terug naar beneden, nog paniekeriger, want de vrije kamer in het hotel was kennelijk voor morgen en niet voor vanavond. Vanavond waren ze ook vol. Nog meer excuses en hij vloog weer naar boven voor een andere oplossing. Uiteindelijk konden we terecht in Tramore, een havendorpje ten zuiden van Waterford, in het Majestic Hotel. Helaas was dat 20min. rijden, dus dat betekende dat we het Spraoi festival, dat die avond in Waterford was, zouden moeten missen. Dat was jammer, maar we waren inmiddels zo moe en blij dat we tenminste ergens konden overnachten, dat we dat dan maar deden. De kamer aldaar scheen €60,- te kosten, maar de €25,- mochten we toch houden voor benzine ter compensatie. Dus namen we afscheid van een zichtbaar ontdane Darius (we hadden al meer medelijden met hem dan met onszelf) en de Amerikaan, en reden naar Tramore.
Daar eenmaal aangekomen, konden we de auto recht tegenover het hotel gratis parkeren. Het lag vlakbij de haven en de pier, waarop een kermis lag en enkele speelhallen. Nog vermoeider dan voorheen, sleepten we de koffers het hotel binnen, en vertelden de ongeïnteresseerd kijkende baliejuffrouw dat Darius ons hierheen had gestuurd en dat er een kamer voor ons zou zijn gereserveerd. Deze vertelde ons toen poeslief dat dat inderdaad klopte, maar dat ze Darius ook had gezegd dat ze de kamer niet langer dan 20 min. konden vasthouden, en dat die bovendien €60,- per persoon was en niet totaal. Ze had Darius al gebeld voordat we arriveerden. Maar ze hadden wel nog 1 klein kamertje over, dat ook €60,- p.p. was, maar dat mochten we dan voor €100,- in totaal incl. ontbijt wel hebben. Dus belden we Darius even om dat door te geven, die inderdaad al op de hoogte was, en weer volop excuses uitte. Al met al waren we allang blij dat we ergens konden slapen, en met de €25,- van Darius kostte het ons maar €15,- meer dan gepland. Darius bood zelfs nog aan die te betalen als we terugkwamen.
De kamer bleek prima, dus we dumpten de koffers, en gingen op zoek naar iets te eten, want we stierven van de honger. Op de weg naar de haven lag een klein restaurantje dat burgers, friet en dergelijke serveerde, Misty’s genaamd. Daar bestelden we frieten en een Quarter-pounder, die wel vele malen beter smaakte dan de McD of de BurgerKing. Met de magen eindelijk gevuld, liepen we veel beter gehumeurd over de pier, waar we de kermis even bezochten, en daarna gingen we op zoek naar een pub met live muziek.


Om half 10 zou volgens onze reisgids normaalgesproken overal wel live muziek starten in de lokale pubs, maar de pub waar wij terecht kwamen had wel muzikanten, maar die begonnen pas om 23.00 ongeveer. Toen waren we al zo moe, dat we na slechts 1 pint lager en enkele nummers al naar onze kamer terugkeerden.

Dag 2:
Na een prima Iers ontbijtje in het hotel, besloten we toch maar niet terug te rijden naar Darius, maar onze geplande route te vervolgen. We reden eerst naar Cashel, om daar de Rock of Cashel te bezichtigen. Dit is een middeleeuws fort met een grote kerk (nu een ruïne) op een heuvel, omringd door een stenen muur. Binnen de muren staan vele mooie Keltische grafstenen en kruizen. Ook staat hier het St. Patrick’s Cross (binnen het origineel en buiten een replica). Tijdens de rondleiding belde Darius bezorgd of we het geld nog kwamen halen dat we tegoed hadden, maar ik legde hem uit dat we blij waren dat hij zo goed zijn best had gedaan, en dat we onze geplande toer hadden vervolgd.
Toen begon het te motregenen. Na de rondleiding vertrokken we naar het dorpje Cahir, waar we ook een kasteel bezochten, Cahir Castle. Ook dit was een indrukwekkend fort, op een smal eilandje in de rivier, met hoge muren en lage deurtjes, en in nog behoorlijk goede staat. Dat was mooi om te zien.
Aansluitend zijn we vlakbij in een bos naar het Swiss Cottage gaan kijken, een klein landelijk huisje, dat door de adel werd gebouwd en gebruikt om het “dorpse leven” van de plattelandsmensen te kunnen ervaren. Uiteraard hadden ze wel de nodige luxe en bedienden. Het is een prachtig huisje, met leuke details, die het geheel een uiterlijk moeten geven alsof het één is met de natuur.


Daarna reden we naar Cork, waar we onze tweede overnachting hadden geboekt. Voor alle zekerheid had ik de B&B maar even gebeld ’s ochtends, maar de kamer was gereserveerd. Het bleek een 3 verdiepingen hoog pand in de stad te zijn, langs een hoofdstraat, en natuurlijk sliepen wij op de bovenste verdieping (geen lift). Beneden, naast de receptie van de “Windsor Inn” bevond zich een bar, die bij het B&B hoorde, met een barkeeper annex chef-kok, die ons de ochtend erna een heerlijk Irish Breakfast bracht. Dat bestond uit een paar flinke lappen spek, spiegeleieren, lekker zelfgebakken bruin brood, worstjes en gebakken tomaat. De gebruikelijke witte bonen hebben we er maar niet bijbesteld. De B&B zelf was bekleed met vloerbedekking, behang en gordijnen in de meest uiteenlopende patronen, die absoluut niet bij elkaar pasten, maar het geheel wel een vrolijke indruk gaf. Zelfs de spijlen van de trap waren in alle denkbare kleuren gespikkeld.
Na onze spullen op de kamer te hebben gebracht, zijn we het centrum ingelopen aan de andere kant van de rivier, op zoek naar een niet al te duur restaurantje. In de zijstraatjes van de hoofdwinkelstraat moesten we daarvoor zijn volgens onze gastvrouw. En inderdaad lagen daar vele pubs en restaurantjes. Vele daarvan waren wel Italiaans, Indisch of Chinees, en we wilden juist de Ierse kost eens proeven. We zagen een uithangbord met “Kelly’s Restaurant” hangen, en keken daar eens op de kaart die aan de gevel hing. Daar stonden wel Ierse gerechten op, waaronder een pork chop with applesauce and gravy. Voor 7pm besteld, kon je zelfs kiezen voor een 3-gangen menu voor 14,50. Dat leek ons een prima idee, dus liepen we de poort in, die naar een gang leidde, enkele trappen op tot aan een deurtje. Het zag er wat vreemd uit, maar aangezien er geen andere deuren waren, moest dat wel de ingang zijn. Het restaurant bleek een ruimte te zijn op de verdiepingsvloer van het pand, waar maar een paar mensen al aan de tafeltjes zaten te eten. Het leek een soort studenten eettent, dat bestierd werd door een enkel Iers meisje (of er nog mensen in de keuken werkten konden we niet zien/horen). We bestelden het 3 gangen menu met de pork chop, en omdat ze geen bier had, oftewel helemaal geen tap, kregen we een flesje water en een blikje cola. Vooraf kregen we soep en broodjes met gesmolten kaas, met daarna een stevige varkenslap (met best weinig vet en veel mals vlees) en dikke frieten, jus, groenten en warme appelcompote. Eenvoudig maar erg lekker! Als dessert warme appeltaart met ijs. Echt een aanrader als je in Cork goedkoop en lekker Iers wil eten.
Bij het afrekenen vroegen we in welke pubs we als toeristen de meeste kans hadden op traditionele Ierse live muziek. Dat waren volgens het meisje de An Bodhrán, de Hi-B! en de Old Oak. Het regende nog steeds, dus haastten we ons naar de eerste pub; een gezellig, typisch Iers bruin cafe, waar we een pint lang de mensen bekeken en afwachtten of er wellicht mensen kwamen optreden. Daar leek het niet op, dus op naar de Hi-B! Dit was een pubje op de eerste verdieping boven een chemist, zo klein als een woonkamertje, met aan de ene zijde een halfronde bar en een raampje, en aan de andere zijde een boel bankjes en tafeltjes. Heel knus, maar helaas vanavond geen optredens. De Old Oak was dus onze laatste hoop. Dit was een enorm grote pub, met een dansvloer, een lange bar, veel tafels, zithoeken en banken. En jawel, er zou een band komen spelen, maar pas rond 12 uur ’s nachts… Ik bestelde een pint Carlsberg (lekker!), en Denise en ik nestelden ons op een grote, comfortabele, rode bank met een schaaktafeltje. Denise begon al slaap te krijgen van al het reizen, en de dag erna moesten we alweer vroeg opstaan, dus zijn we na mijn pintje maar weer teruggelopen door de koude motregen naar onze kamer.

Dag 3: Bank Holiday
Vandaag namen we een toeristische route naar onze volgende bestemming Killarney, via enkele kustdorpjes. Eerst stopten we even in Kinsale, een erg leuk dorpje met mooi gekleurde huisjes, waar we een wandeling doorheen maakten. Daarna reden we door Clonakilty, Skibbereen en Bantry. In Bantry hebben we door de al wat stevigere regen rondgewandeld en een pub bezocht om even wat uit te rusten. De pub, Ma Murphy’s, was een piepklein cafeetje, met een tabakswinkeltje voorin, waar enkele heren zich aan de bar al tegoed deden aan een pint Guinness of Beamish. Er speelde een cd van de Blues Brothers die we zelf uit onze eigen collectie kenden. De barman vroeg waar we vandaan kwamen, en maakte een kort praatje met ons. Terwijl Denise zich warmde aan een Baileys, en ik aan mijn reisverslag begon te schrijven, trakteerde de barman zijn vaste klanten aan de bar op enkele sterke verhalen over bijzondere mensen die in zijn bar geweest waren, waaronder een Russische ex spetsnaz, die in een ruzie drie Ieren van zich af wist te houden, en vervolgens doodleuk wat boodschapjes kwam halen, terwijl de lokale politie onderling aan het kibbelen was wie hem om een verklaring moest gaan vragen. Geamuseerd hoorden wij het aan, en bij het weggaan gaf ons een oude bebaarde Ier een hand, en groette ons in het Nederlands. Hij bleek getrouwd te zijn geweest met een vrouw in Friesland. Erg gezellig zo’n pub!
Buiten hoosde het inmiddels al flink, dus renden we naar de auto. De zonnebrandcreme factor 50 die we thuis hadden gekocht was waarschijnlijk toch was optimistisch. Een extra dikke trui was ook wel beter geweest in plaats van mijn korte broek.


Na Bantry reden we naar Glengarriff, Kenmare en Killarney, waar ons volgende B&B lag, de Sunny Banks. Door de regen zijn we nergens meer gestopt, dus waren we rond 6 uur al ter plekke. Het was een mooi huis, met een grote serre die als ontbijtzaaltje dienst deed. We konden de auto op een eigen parkeerplaatsje voor het huis kwijt, en we werden vriendelijk ontvangen door een wat ouder mevrouwtje. Ze wees ons meteen onze kamer, en er was een lounge waar we koffie of thee konden zetten. We hadden die dag wat stokbroodjes en ham gekocht, die we daar opaten. Tegen 9 uur, na een korte rustpauze, trokken we te voet het centrum in, waar deze keer wel in diverse pubs al live muziek aan het spelen was. In de “Fáilte” pub was het al gezellig druk, er had kennelijk een Irish Football match gespeeld tussen Kilkenny en Dublin, en de underdog Kilkenny had gewonnen, en zodoende waren er al veel fans vroeg op stap. Aldaar waagde ik mij aan een Guinness, en Denise nam een kleine cider van Bulmers. Die smaakten best goed, dus wordt vervolgd! Daarna probeerde ik een pint Ale van Smithwicks, terwijl een nieuwe muzikant Ierse folksongs begon te zingen met zijn gitaar. We raakten aan de praat met een Ier en zijn uit Duitsland afkomstige vriendin. We kletsten wat over de wedstrijd, over Irish Football (een kruising tussen Amerikaans football en gewoon voetbal), en hij noemde nog enkele leuke pubs die ook live muziek zouden hebben vanavond. We vertelden ons reisplan, en bij elk stadje of dorp waar we heen zouden gaan werd ons verteld wat allemaal de moeite waard was. Door het lawaai kreeg ik daar niet alles van mee, maar Galway zou zeker de moeite waard zijn. Mooi, want daar zouden we ook twee keer overnachten.
Na mijn heerlijke Smithwicks liepen we nog even naar de O’Donoghue’s pub voor een live band van 4 heren die bekende Ierse (en andere) folkliedjes zongen, en de vele oudere mensen aanwezig zongen gezellig mee. Ze zongen als afsluiter een bekend 7 coupletten tellend lied genaamd “seven drunken nights” (de ongekuiste versie), en daarna gingen we weer door de motregen terug naar ons B&B.

Dag 4: de Ring of Kerry
Tijdens het lekkere Ierse ontbijt miezerde het buiten nog steeds, dus gingen we, voordat we aan onze tocht over de “Ring of Kerry” begonnen, in het dorp op zoek naar een paraplu. We passeerden een winkel die de traditionele Ierse wollen Aran-sweaters verkocht, truien die op de Aran Islands worden gemaakt. Die wilden we eens graag bekijken, want daar wilden we beiden wel een van kopen, vooral omdat we door ons optimisme wat weinig warme kleren bij ons hadden. Denise kocht een mooie donkergroene kabeltrui met capuchon en rits, en ik kocht haar een groene fleece sjaal. Ik kon niet kiezen, want de trui die ik mooi vond was er niet meer in mijn maat, en de gewone truien hadden geen rits, maar een gewone kraag zonder col (voor hemden eronder te dragen, maar dat vind ik niet prettig). Het roodharige winkelmeisje liet ons alles zien en legde precies uit hoe alles gemaakt werd en van welke wol het gemaakt was. Toen we vroegen of ze misschien ook paraplu’s verkochten, dook ze het magazijn in, en gaf ons een grote plu kado. Misschien heeft het daarom de rest van de dag niet meer geregend.
De rot door Kerry’s schiereiland was prachtig mooi. Hoge bergen met veel rotsen en grazend vee, en overal de welbekende lage muurtjes van gestapeld natuursteen. Onderweg hebben we enkele ringforten gezien, waarvan de basis nog staat, en hier en daar ruïnes van oude kasteeltjes. Op elke bocht was wel een ander mooi panorama te zien, dan weer een mistig dal, een stuk bos, de zee, een haventje, een meer en zelfs overstekende schaapjes kwamen we tegen.
We hebben een pontje genomen naar het eiland Valencia, aan de westkust van Kerry, en reden daar toevalligerwijs naar een bistrootje helemaal in een punt van het eiland, waar onze TomTom niets meer herkende, om daar te lunchen. Als je ooit in Valencia bent, en je weet de Lighthouse Bar te vinden, raad ik de homemade apple pie met ijs van harte aan!


Via een brug konden we weer het schiereiland op, en hebben we via enkele binnenweggetjes onze reis vervolgd. Soms zijn de wegen er zo smal, dat je bij tegenliggers de berm in moet rijden, wat de staat van de auto al enigszins verklaarde. Daarvoor zijn er geregeld inhammetjes langs de weg gemaakt waar je even kan stoppen. Je moet er wel opletten voor slechte wegen, want vlak voor het dorp Sneem raakten we een gigantisch gat in de weg, dat we niet gezien hadden. In Sneem zijn we gestopt om te eten. Denise ging veilig voor een stevige hamburger met sla en frieten, en ik ging avontuurlijk voor de lokale Irish Lamb Stew. In de kroeg waar we zaten, de D. O’Shea, zat een oude man hele verhalen te vertellen tegen iedereen die hem aandacht schonk, met een accent waar we geen woord van verstonden. Toch lachten we af en toe vriendelijk, en dat spoorde hem zelfs aan tot een stukje Iers gezang tussendoor.
Toen we vertrokken was het ongeveer half 8, dus zouden we nog rustig kunnen toeren door het Killarney National Park, en terug zijn in Killarney voor het donker werd. Maar plots, richting Moll’s Gap, hoorde ik een vreemd rammelend geluid, dus stopten we even langs de weg. We hadden een platte achterband… Dus haalde ik de reserveband en gereedschap uit de kofferbak (dat gelukkig compleet was), en begon ik de bouten los te draaien en de auto op te krikken. Die gleed eerst van de krik af, omdat de ondergrond nogal kiezelig en dus niet erg stabiel was. Tot mijn schrik kreeg ik de band niet los. De bouten lagen er uit, maar er was geen beweging te krijgen in de band. Ik had hulp nodig, dus hield ik een passerende auto aan. Die stopte gelijk, maar de hoogbejaarde chauffeuse vertelde me dat ze juist haar nog bejaardere man uit het ziekenhuis had gehaald, dus liet ik ze maar weer doorrijden. Daarna stopte een moeder met twee kinderen, dus dat schoot ook niet echt op. Maar de derde passanten waren twee Italianen, een man en een vrouw. Ze spraken geen Engels (handig als je in Ierland op vakantie gaat), maar de vrouw sprak wel Duits. Dus vroeg ik haar in het Duits of ze konden helpen met het loswrikken van mijn band, en zij vertaalde het weer in het Italiaans aan haar vriend. Terwijl ik de auto op zijn plek hield, wrikte de man met de dopsleutel de band langzaam maar zeker van de auto los. Toen die er eenmaal af was, zat de reserveband er snel op, en kon de reis verder gaan. We bedankten de Italianen, en reden door richting het Killarney National Park. Daar hebben we nog enkele foto’s gemaakt bij de Lady’s View, en zijn toen doorgereden om voor het donker weer terug te zijn (want ik wilde niet weer door een put rijden). Eenmaal thuis bleek dat de Lamb Stew en mijn lichaam geen vriendjes waren geworden, dus kon ik het toilet op vluchten. Nadien voelde ik me te moe om nog de pubs te gaan bezoeken, dus gingen we al vroeg om 10 uur naar bed. Nooit meer lamb stew!

Dag 5: Limerick en Ennis
Om 8 uur ’s ochtends zaten we fit en uitgerust na een goede nachtrust al aan het stevige ontbijt. De heer des huizes bood ons zelfs aan een tweede spiegeleitje aan, want wij hoefden geen worstjes, en dat kón toch nooit genoeg zijn. We vroegen waar er in de buurt een bandengarage was, en die bleek 100m verderop al te liggen. Helaas moest volgens de autoverhuurder schade aan de banden zelf worden betaald, omdat dat niet gedekt was door de verzekering (lekker nutteloos dus), dus daar ging weer €70,- de deur uit. Bij nadere inspectie bleek ook het voorwiel aan de zelfde kant als de vervangen band een flinke klap te hebben gehad, en die moest dus ook worden vervangen. Nog eens €70,-… Gelijk even een koplampje verwisseld (dat we wel vergoed kregen, joepie), en we konden vertrekken naar Limerick. We namen de route via Tralee (klinkt leuker dan het is), Listowel (een gat met als trekpleister een groot watervliegtuig), Tarbert (ook een gat waar je met de pont kan oversteken richting Galway) en toen oostwaarts langs de kust naar Askeaton, waar volgens de reisgids een mooie ruïne van een kerk met klooster staat die de moeite van het bezoeken wel waard was. We vonden het zonder moeite, maar er was geen ingang op het terrein, alleen een hek dat dicht was op het kerkhof ervoor, en geen mensen te bekennen. Dus stapten we over een kleine verlaging met wat stenen treden naast het hek het kerkhofje op, en liepen op eigen houtje het klooster in.


Dat was op zich ook wel mooi, maar we hadden het na 5 minuten wel weer gezien. Een paar foto’s gemaakt, en door naar Limerick. Limerick bleek een grote, moderne stad met een klein kasteeltje, King John’s Castle. De stad zelf trok ons niet echt, en het kasteel kostte even €10,- per persoon, dus dat lieten we maar voor wat het was, en zochten een cafeetje op voor de lunch. We vonden er een die belegde sandwiches op het menu had staan, dus daar hebben we twee broodjes kip besteld. Je kon daar ook tafels reserveren met een eigen tap erop, waarmee je Guinness en pils kon tappen.
Na onze lunch zijn we doorgereden naar Bunratty Castle, een kasteel dat nog helemaal in tact is, en waar ze een Middeleeuws dorpje omheen hebben gebouwd, waarvan enkele cottages vanaf een bestaande locatie waren overgeplaatst en andere gewoon nagebouwd waren. De entree was flink: €15,- per volwassene en €10,- voor studenten. Dus waren we voor de gelegenheid deze keer beide student, en toonde ik onze oude pasjes die ik gelukkig had meegenomen. Die werden zonder problemen geaccepteerd. Goed om te weten! Het kasteel was best de moeite waard, en gidsen in Middeleeuwse kledij leidden er groepen toeristen rond in diverse talen (met name Italiaans). Het kasteel had mooie zalen, kleine deurtjes en smalle torentrapjes, kleine slaapkamertjes en keukens en andere vertrekken in de vier torens rondom de hoofdzalen in het midden.
Buiten het park was een leuke pub gebouwd, genaamd Durty Nellie’s, met een verdieping, lage plafonds en vele ruimtes en zithoeken. Vast niet authentiek, maar wel gezellig.

Na dit kasteel reden we door naar Ennis. Ons B&B lag een eindje buiten de stad zelf, in een aangrenzend dorpje genaamd Clarecastle. Dat betekende dus met de auto de stad in, maar na 18.30 kon je er gratis parkeren, dus dat was geen probleem. Onze gastheer raadde ons de Brogan’s aan, en buiten deze pub stond een bord waarop te lezen viel dat er die avond live traditionele muziek zou zijn. We gingen er naar binnen, en het was boordevol, dus moesten we even aan de bar wachten op een tafeltje. We kregen een leuk klein tafeltje in een hoek met een bank langs de muur, waar we net allebei op pasten. We bestelden de day special, wat een sirloin of beef zou zijn. Dat waren twee dunne, maar flinke lappen rundvlees, geserveerd met groenten en frites. Denise nam er weer een pint Bulmers cider bij, en ik nam een Ale. Tegen half 9 hadden we afgerekend, en wilden we even rondlopen om te zien of er ergens wellicht al muziek speelde, want hier was tot nog toe niks begonnen. We slenterden wat door het centrum, maar nergens was iets te horen. Uiteindelijk kwamen we weer uit bij Brogans, en namen er plaats aan de bar, wachtend op de live muziek. Die bleek al begonnen te zijn, want toen mensen plotseling begonnen te klappen, bleek de muziek die we op de achtergrond hoorden live te zijn, en geen cd. Er zaten enkele mensen met een viool, een gitaar, een fluit en een accordeon aan het tafeltje waar wij net hadden gegeten heel gemoedelijk wat Ierse deuntjes te spelen.


We namen een paar krukken en gingen in de buurt zitten luisteren. Er zat al een heel publiek om ze heen. De sfeer was echt heel gemoedelijk, en er kwamen zelfs nog enkele muzikanten na verloop van tijd bij zitten. Na een uurtje naar deze traditionele jam-sessie te hebben geluisterd, werd het weer tijd de auto naar ons B&B te nemen.

Dag 6: Galway en de Cliffs of Moher
Na alweer een heerlijk ontbijt vertrokken we weer naar onze volgende bestemming, Galway. Onderweg zijn we naar de bekende Cliffs of Moher gaan kijken. Enorm toeristisch, maar ontzettend mooi. Ook daar hebben we weer veel foto’s gemaakt. Ik vond er zelfs een mooie Aran trui die me paste, voor maar €35,-. Dus die ging mee! Vlak daarvoor bezochten we onderweg nog een klein winkeltje waar ze zelf T-shirts bedrukten met Keltische prints, waar ik een leuk shirt voor Denise kocht dat ze zich had uitgezocht, met een vogel en een leeuw in een Keltische knoop.


Na de Cliffs of Moher reden we via de kust door naar Galway, waar we rond 4 uur aankwamen. We waren wat vroeg voor het B&B, dus parkeerden we de auto in het centrum, en liepen we wat door de winkelstraatjes. Daar stikte het van de juweliers, die bijna allemaal Claddagh ringen en sieraden verkopen. Blijkbaar is er echter maar 1 juwelier die de originele Claddagh ringen maakt, maar de anderen verkochten vele varianten en kopiëen van het origineel.

Om half 6 stapten we weer in de auto om het B&B te gaan zoeken (Lios Inis). Dat lag 2km buiten het centrum, maar dankzij de TomTom hadden we de wijk weer snel gevonden. Alleen de straat zelf kende hij niet, maar een behulpzame buurtbewoonster wees ons de straat. Onze gastvrouw Joan bleek een bijzonder gezellige praatgrage dame, dus maakten we ’s avonds voordat we de stad in wilden gaan even een praatje over wat we al allemaal hadden gezien, en waar we nog heen gingen. Bij elk onderwerp wist Joan een verhaal te vertellen, en ze bood zelfs aan om ons het centrum in te rijden. De route terug kenden we al, dus die konden we te voet wel terugvinden. Zo gezegd, zo gedaan. We bezochten ’s avonds enkele pubs, en in de “Spanish Arch”, een pub bij een hotel genoemd naar een stenen boog in de stadsmuur, speelden enkele artiesten live traditionele Ierse muziek. We zochten ons een plekje en bestelden ons een pint cider en ale. Tegen middernacht waren we weer moe van de lange dag, en liepen we terug naar het B&B.

Dag 7: De Aran Islands
De volgende dag hebben we de beroemde Aran Islands bezocht. We namen in Rossaveel de ferry van 10.30u (we waren weer studenten, want een retourtje kostte even €20,- per student en €25,- per persoon!), en kwamen 50 minuten later aan op Innis Mór, het grootste eiland van de drie. Dit eiland is ca. 8km lang en 3km breed. Men verhuurt er fietsen, en je kan er een paard en wagen of een busje betalen voor een rondrit. Omdat de busjes ons geen leuk idee leken, en de fietsen en de koetsen wat dur waren, besloten we te gaan lopen. We hadden tot 5 uur de tijd, want dan vertrok de boot weer, dus dat moest wel te doen zijn dachten we.
Eerst aten we een belegd broodje bij de lokale spar, en begonnen we aan onze wandeltocht. We liepen langs een robbenkolonie, en zagen her en der koeien, schapen en paarden in de vele weitjes staan. Het hele eiland is bezaaid met de typische lage stenen muurtjes van los gestapelde blokken steen. Ze zien er zo wankel uit, dat er na een aardbeving hoogstwaarschijnlijk geen enkele meer overeind zou staan.


De weg slingerde door het landschap, en toen we bij het punt kwamen waar we moesten teruggaan, bij een klein strand, hadden we toch al door dat we op de terugweg een stevige pas moesten aanhouden, want we begonnen vermoeid te raken, en we hadden nog maar 2:30u de tijd. De terugweg langs de westzijde van het eiland was mooi, maar liep erg steil omhoog. Onderweg kwamen we nog enkele fietsers tegen, die moesten afstappen om de berg op te komen. Maar eenmaal boven konden we de haven al in de verte zien liggen. Bergaf ging al een stuk gemakkelijker. Nog nergens hadden we zoveel stenen muurtjes en rotsen gezien als hier. Door ons stevige tempo waren we toch al om 15.45u bij de haven, dus hadden we nog tijd om de Aran Sweater Shop te bezoeken. Deze bleek dezelfde te zijn als die in Killarney, en had dus dezelfde truien en vesten, mutsen en sjaals. Ze hadden er ook een klein museumpje met de diverse familie-patronen en een film van hoe ze gemaakt werden. Om 5 uur zaten we weer netjes op de boot terug naar Rossaveel, en rond een uur of 7 waren we weer bij ons B&B.

Joan vroeg gelijk hoe het was geweest, en of we er ook mensen Gaelic hebben horen praten. Maar omdat we buiten het personeel op de boot en in de winkels eigenlijk alleen maar toeristen hadden gezien, was het bij Engels gebleven. Ze bood ons gelijk weer aan naar het centrum te rijden (ze had haar man al de opdracht gegeven taxichauffeur te spelen), en zo bracht haar man ons naar het centrum. We vonden een zeer mooi Iers ingericht en groot restaurant, de Front Door, waar het afgeladen vol zat. Het pand liep ver naar achteren door, en kwam in een andere straat weer uit in een tweede pand. Er was zelfs een verdieping. Er was aanvankelijk geen plek vrij, maar na een snel rondje langs andere restaurants, kwamen we weer terug en vonden we een tafeltje voor twee. Het eten was er goed, de cider en de ale weer heerlijk, en de sfeer gezellig. Rond half 10 liepen we weer naar buiten, en zochten we nog even naar live muziek. Die begon die avond pas laat kennelijk, dus besloten we maar weer terug te keren, want we waren van al dat wandelen behoorlijk moe geworden.

Dag 8: Clifden
Na het zoveelste heerlijke ontbijt, namen we afscheid van onze gezellige gastvrouw en -heer, en reden we alvorens richting Clifden te gaan nog even het centrum van Galway in, om wat winkeltjes te bekijken. We parkeerden bij de grote kathedraal van Galway, en liepen van daaruit het centrum in, wat maar een kort stukje lopen was. Daar vond Denise een mooie ring met de gaelic woorden “Gra, Dilseacht, Cairdeas” (liefde, trouw en vriendschap) erin gegraveerd, de woorden waarvoor de traditionele Claddagh ring symbool staat. Haar maat hadden ze helaas niet op voorraad, maar ze konden die wel bestellen en nasturen per post. Drie weken later kregen we de ring thuis bezorgd.
Wat verderop was een marktje met groente, fruit, kaas en handwerk artikelen. Dat zag er ontzettend leuk en ouderwets uit, met alle waren uitgestald in de smalle zijstraatjes van het winkelcentrum. Ten slotte bezochten we nog even de kathedraal waar de auto stond, en reden we naar Clifden.

Het landschap werd onderweg bosrijker en wat heuvelachtiger. Hier en daar zijn we gestopt om foto’s te maken. De weg langs de kust was op plekken smal en versleten, en de dorpjes die we passeerden leken erg toeristisch. Zo kwamen we via de Roundstone Bog in Clifden aan, een schilderachtig stadje aan de kust.

De route erheen was prachtig, en nadat we onze koffers bij het volgende B&B Bay View House hadden gebracht, reden we nog even over de “Sky Road”. Dat is een hele mooie weg die vanuit Clifden over een landtong loopt, en uitkomt waar ons B&B lag. We hadden ’s middags weer wat te eten gekocht in een supermarktje, en dat aten we in onze kamer op. Na een dutje heeft de gastvrouw Bridie ons een lift gegeven naar het centrum, waar we op zoek gingen naar de volgende pub met muziek. We gingen zitten in de H.J. Kings, waar een band ging spelen. Helaas niet traditioneel, maar een coverband, maar dat was ook wel weer eens leuk tussendoor. We namen een taxi terug, want lopen kon niet omdat de weg naar het B&B onverlicht was en bochtig, zonder stoep. Alweer een dag voorbij!

Zie deel twee van het verslag voor het vervolg!

Deel dit met je vrienden:
  • Print
  • Hyves
  • LinkedIn
  • StumbleUpon
  • Google Bookmarks
  • del.icio.us
  • Twitter
  • Facebook
  • email
  • Add to favorites